Ik zal, jij zult, wij zullen: over een problematisch hulpwerkwoord

Weinig aspecten van het Nederlands zijn zo eigenaardig als de tijden. Zo gebruiken we de voltooid verleden tijd waar andere talen de onvoltooid verleden tijd zouden gebruiken – en vice versa. Ook onze hulpwerkwoorden van tijd zijn problematisch.

Werkwoorden hebben verschillende functies. Ze geven vaak een actie of een toestand aan. Soms beïnvloeden ze de betekenis van de zin. In het Portugees kun je bijvoorbeeld zeggen: “Eu gosto.” Dat betekent: “Ik vind het leuk.”

Als je wilt zeggen dat je iets leuk zou vinden, dan vervoeg je in het Portugees dat ene werkwoord: “Eu gostaria.” Wij hebben daar twee werkwoorden voor nodig (‘zou’ en ‘vinden’). Dat eerste is een hulpwerkwoord.

Hulpwerkwoord van de toekomende tijd

Een hulpwerkwoord komt alleen in combinatie met andere werkwoorden voor in zinnen. Vaak geeft het nadere invulling aan het hoofdwerkwoord. Vergelijk de zin “We gaan naar huis” bijvoorbeeld met “We willen naar huis gaan”. Het hulpwerkwoord willen in zin twee voegt betekenis toe aan het hoofdwerkwoord gaan – en daarmee aan de hele zin.

We onderscheiden hulpwerkwoorden van tijd, modaliteit, lijdende vorm en causaliteit. In die eerste categorie verandert het hulpwerkwoord de tijd van de zin. De zin “We gaan naar huis” staat in de tegenwoordige tijd, terwijl de zin “We zijn naar huis gegaan” in de voltooid verleden tijd staat. Met het hulpwerkwoord zullen zetten we een zin in de toekomende tijd: “We zullen naar huis gaan.”

We zullen naar huis gaan

De functie van het hulpwerkwoord is vrij eenvoudig van aard. Het wordt pas eigenaardig als we inzoomen op dat laatste voorbeeld: “We zullen naar huis gaan.” Die zin is grammaticaal in orde, maar klinkt wat omslachtig.

Sterker nog: als je bij iemand op visite bent en je kondigt je vertrek aan, volsta je waarschijnlijk met “We gaan naar huis.” In het Nederlands gebruiken we doorgaans de tegenwoordige tijd om over de toekomst te spreken. We gebruiken bijwoorden van tijd om de toekomst te benadrukken: “Wij gaan straks naar huis.”

We gaan straks naar huis

Bovendien gebruiken we het werkwoord zullen regelmatig voor voorspellingen, voornemens en denkbeeldige situaties: “Het zal je maar gebeuren”, “Je zult ervan lusten” en “We zullen er alles aan doen.”

Ons advies is om het hulpwerkwoord van de toekomende tijd, zullen, waar mogelijk te schrappen. Gebruik liever een bijwoord van tijd. Daarmee behoud je de betekenis, maar zet je de boodschap vlotter op papier. Het resultaat is een beter leesbare tekst.

Schrijf jij strakke teksten?

Wil je meer weten over de Nederlandse grammatica? Heb je een andere vraag over taal of tekst? Of heb je behoefte aan intensieve begeleiding? Neem contact met ons op.

Stephan Borggreve

10 september 2021